Voorschoolse opvang doorgelicht door de OECD
Kinderopvang en kleuteronderwijs staan meer en meer op de Europese en internationale agenda. Het rapport Starting Strong II van de OECD (Organisation for Economic Co-operation and Development) bewijst dat. Deze internationale organisatie heeft de voorzieningen voor jonge kinderen tussen 0 en 6 jaar in twintig landen doorgelicht. Het rapport van de OECD is inspirerend. Het geeft niet alleen een beeld van de zwaktes en de sterktes in elk land, maar het geeft ook besluiten of adviezen mee die de landen als leidraad kunnen gebruiken om een toekomstig beleid vorm te geven.
Beleidsadviezen
De sociale context van de voorschoolse educatie moet mee in rekening worden gebracht en kinderopvang is een recht voor alle kinderen.
Kinderopvang heeft ook een brede sociale functie. Om kinderarmoede en sociale uitsluiting van gezinnen te bestrijden, moet het kinderopvangbeleid ingepast worden in een breder sociaal beleid. Volgens de OECD bestaat er een grote consensus in de wetenschappelijke wereld dat programma's die openstaan voor alle kinderen, zoals de Belgische kleuterscholen, en die bovendien gratis zijn, de beste resultaten geven.
De vernieuwing van de kinderopvang in Vlaanderen, waarbij de centra voor kinderopvang een pedagogische, economische en sociale functie moeten waarmaken, biedt belangrijke mogelijkheden om dit beleidsadvies van de OECD in de toekomst vorm te geven.
Kinderopvang en kleuteronderwijs moeten in de eerste plaats het welzijn en de ontwikkeling van kinderen dienen. Vlaanderen krijgt in het OECD-rapport (op blz. 200) een speciale vermelding voor het gebruik van de schalen voor welbevinden en betrokkenheid van prof. dr. F. Laevers, K.U.Leuven. De OECD vindt het bijzonder belangrijk dat kinderen niet met een standaard worden vergeleken, zoals in klassieke testen of examens, maar dat de begeleiders de vooruitgang van elk kind afzonderlijk proberen te documenteren en methodes gebruiken voor het 'luisteren naar kinderen'. In de buitenschoolse opvang in Vlaanderen wordt sinds geruime tijd met allerlei methodieken gewerkt om naar kinderen te luisteren en hen te laten participeren in allerlei facetten van de opvang.
Volgens Starting Strong vormt het Kwaliteitsdecreet dat nu al enkele jaren in Vlaanderen van kracht is, een interessant voorbeeld van een standaard van pedagogisch werken met kinderen, die samen met de sector werd uitgewerkt (blz. 295).
Er moeten beleidsstructuren gecreëerd worden die de kwaliteit kunnen bewaken en garanderen en de sector van de kinderopvang efficiënt kunnen besturen.
Ook op dit vlak scoort Vlaanderen goed. Met Kind en Gezin beschikt Vlaanderen over een overheidsagentschap dat de troeven in handen heeft om een doordacht beleid in de kinderopvang te voeren. Daarnaast is er het agentschap Inspectie van de Vlaamse Gemeenschap om de kwaliteit te bewaken. Het rapport besteedt op blz. 179 extra aandacht aan de manier waarop Kind en Gezin relevante data verzamelt die het kinderopvangbeleid ondersteunen.
Daarnaast beschikt Vlaanderen over ondersteuning vanuit de wetenschappelijke wereld via het Expertisecentrum Ervaringsgericht Onderwijs (ECEGO) van de K.U.Leuven en de vakgroep Sociale Agogiek van de Universiteit Gent. De Vlaamse kinderopvang kan ook een beroep doen op het VBJK, het Expertisecentrum voor Opvoeding en Kinderopvang, dat de sector ondersteunt door het aanmaken van materiaal en het opzetten van vernieuwingsprojecten. Verder telt Vlaanderen een aantal gespecialiseerde vormingsorganisaties zoals VOCA, Zorgsaam, VCOK en VDKO.
Overheidsmiddelen zijn nodig en moeten efficiënt ingezet worden om het mogelijk te maken dat doelstellingen worden gerealiseerd op het vlak van pedagogische kwaliteit, sociale inclusie, gezondheid en welbevinden van jonge kinderen en gendergelijkheid.
Een privatisering van de sector geeft in de meeste landen aanleiding tot een versplintering. Een minder betrokken overheid gaat minder eisen stellen, wat een vermindering van de kwaliteit tot gevolg heeft.
Ouders en buurt moeten maximaal betrokken worden bij de kinderopvang en andere voorschoolse voorzieningen.
Het gezin speelt een centrale rol in het leven van het jonge kind. Het is belangrijk dat er een continuïteit is tussen de beide opvoedingsmilieus. Betrokkenheid bij de buurt is belangrijk, omdat ze een bredere dienstverlening mogelijk maakt en kansen creëert voor partnerschappen en ouderparticipatie.
Vlaanderen krijgt een speciale vermelding voor de projecten in Gent, Antwerpen en Brussel, waar extra inspanningen worden geleverd om met ouders uit kansarme buurten te werken in de kinderopvang.
Investeren in de werkomstandigheden en in de opleiding van het personeel blijft broodnodig.
In heel wat landen zijn de vereisten voor een job in de kinderopvang laag en ligt het salaris laag. Daarnaast blijven de mannen ondervertegenwoordigd in het beroep en weerspiegelt het personeelsbestand niet de diversiteit van het doelpubliek.
Ook voor Vlaanderen is dit een aandachtspunt. Positief is het rapport over de mogelijkheden tot begeleiding van de onthaalouders en de medewerkers buitenschoolse opvang. Ook de mogelijkheid tot bijscholing binnen de werkuren van de medewerkers uit de gesubsidieerde sector wordt als een sterk punt van het competentiebeleid gezien.
De mogelijkheid om in elke voorziening een eigen pedagogisch beleid te ontwikkelen is belangrijk.
Het rapport spreekt zich uit voor nationale kwaliteitscriteria, maar vindt het ook belangrijk dat de voorzieningen en de opvoeders over voldoende autonomie beschikken om zelf te bepalen hoe ze dit in de praktijk met de kinderen vorm willen geven.
Op dit vlak scoort Vlaanderen zeer goed. Het Kwaliteitsdecreet dat sinds 2005 aan de Vlaamse voorzieningen de mogelijkheid biedt om zelf te bepalen hoe ze de kwaliteit invullen binnen het kader dat door de overheid wordt opgelegd, wordt in het rapport meermalen vermeld als een 'example of good practice'.












